Engels
Engels Unit 5 — Love and Friendship
Engels Unit 4 — The Arts
Unit 4
The genitive
Als je wilt aangeven van wie iets is, kun je the Genitive gebruiken:
Je neemt het [zelfstandig naamwoord + ’s].
Bij woorden in het meervoud die eindigen op -s schrijf je [zelfstandignaamwoord + -s’ ]. Je kunt plaatsnamen vaak voor een zelfstandig naamwoord zetten om aan te geven dat het van of in die plaats is.
the shop owner’s permission de toestemming van de winkeleigenaar
my students’ graffiti de graffiti van mijn studenten
one of America’s companies een van de bedrijven in Amerika
last year’s exhibition de tentoonstelling van vorig jaar
at the doctor’s (surgery) bij de dokter
Het lidwoord the
Je gebruikt niet een lidwoord bij:
· Instellingen.
· Seizoenen.
· Straten en pleinen.
· Niet-optelbare begrippen.
Je gebruikt wel een lidwoord bij:
· Alle andere zelfstandige naamwoorden.
· Seizoenen die je nader omschrijft.
· Begrippen die je nader omschrijft.
Voorzetsels
Je gebruikt between voor twee mensen, dieren of dingen, among voor meer dan twee. At gebruik je wanneer je de functie van het gebouw of plaats bedoelt. Je gebruikt in of at wanneer je het gebouw of plaats zelf bedoelt. On betekent ‘op’. Into gebruik je bij een beweging van de ene ruimte of plaats naar een andere. Je gebruikt since voor een verwijzing naar het begin van een periode. Je gebruikt for voor een verwijzing naar een afgeronde periode. Je gebruikt of na woorden die een hoeveelheid aangeven of na geografische namen.