KCV/CKV
Module 6: Filosofie, religie, levensbeschouwing
Hoofdstuk 1: Schijn en werkelijkheid
§1. Ter introductie: de gelijkenis van de grotbewoners
Griekse filosoof Plato (427-347 v. Chr.): Theorie van het leven in de grot; de grot als de zichtbare wereld waar in wij leven, het licht van het vuur als het licht van onze zon.
Wat wij als ware werkelijkheid beschouwen, is slechts een afspiegeling van een hogere realiteit. In de hogere wereld bevinden zich een soort oerbeelden van de dingen hier op aarde, ‘ideeën’ of ‘vormen’. Het hoogste van alle ideeën is het idee van het goede, die de mens als laatste en slechts na grote inspanning kan waarnemen. Het idee van het goede is dus voor de ideeënwereld wat de zon is voor onze aardse werkelijkheid.
§2. Wat is de ware werkelijkheid?
Een van de kernvragen van de filosofie; ‘Wat is de ware werkelijkheid?’. Het onderdeel van de filosofie dat zich hiermee bezig houdt noemt men ontologie (de leer van het zijnde). We kunnen ons door onze waarnemingen laten misleiden, een schijnwerkelijkheid. Wat de mensen in de grot als de werkelijkheid beschouweden, was in feite een derderangs werkelijkheid. Maar volgens Plato verkeren wij in een zelfde toestand: wat wij als de werkelijkheid opvatten, is niet meer dan een afbeelding van een hogere realiteit.
Voorbeeld: rechtvaardig. In het dagelijks leven noemen we handelingen rechtvaardig, maar we realiseren ons niet dat het slechts voorbeelden, afspiegelingen zijn van het ‘wezen’ van de rechtvaardigheid. Doordat de mensen geen inzicht hebben in dat wezen, zijn zij het ook voortdurend met elkaar oneens over de vraag wat rechtvaardig is en wat niet. Volgens Plato is dit wezen van de rechtvaardigheid niet alleen een abstractie, maar het bestaat werkelijk, onafhankelijk van ons denken, een ‘idee’.
Van alles wat wij op aarde tegenkomen bestaat volgens Plato een idee. Zo is alle wat op de aarde bestaat, een afspiegeling van de ‘wereld van de ‘ideeën’.
§3. Het Griekse denken vóór Plato
De Griekse filosofie ontstond rond 600 v. Chr. in de Griekse steden aan de westkust van Klein-Azië. De Grieken vroegen zich af wat eigenlijk de aard en de oorsprong was van de natuur. Ze worden daarom natuurfilosofen genoemd. Hun zoeken was gericht op een vaste oerstof waaruit alles is voortgekomen en waarin alles ook weer zou kunnen terugkeren. Een stof dus die als het ware de vaste basis is achter alle verandering.
De grote synthese van alle visies van de volgende generaties filosofen vinden we in de ideeënleer van Plato.
3.1 Op zoek naar de oerstof: Thales van Milete
Thales, natuurfilosoof (600. v. Chr, Milete): de eerste die met godsdienstige, mythologoische verklaringen niet meer tevreden was. Om een verklaring te vinden voor de wereld deed hij een beroep op de kracht van zijn eigen denken begin westerse filosofie.
De wereld was volgens hem slechts een verschijningsvorm van de ware werkelijkheid. De oorsprong was een oerstof; water (het vochtige). Hij kwam tot deze conclusie doordat;
Zijn stad (Milete) was volledig afhankelijk van de zeevaart
Water was de enige stof die zowel in vloeibare, gas- en vaste vorm voorkwam
Zaad van mensen en dieren (oorsprong van nieuw leven) was vochtig
3.2 De getallen als basis: Pythagoras en de Pythagoreeërs
Phytagoras, (530 v. Chr, Samos, later Zuid - Italië): vond de oorsprong (zocht hiernaar net als andere natuurfilosofen) van de gehele natuur in getallen (waarschijnlijk veroorzaakt door zijn ontdekking dat er een vaste mathematische verhouding bestaat tussen de lengte van een snaar en de hoogte van de toon die hij voortbrengt).
3.3 Beweging of stilstand: Heraclitus en Parimenides
Heraclitus, (540 v. Chr., Ephese): vond het basisprincipe in de natuur (anders dan de eerste natuurfilosofen) benadrukt door beweging en verandering. ‘Panta rei’ (alles stroomt). Oerstof: vuur want het is een proces (van verbranding) en impliceert dus verandering. Het veranderingsproces in de kosmos verloopt volgens een wetmatigheid.
Parmenides, (Elea) stond lijnrecht tegenover de theorie van Heraclitus. Het zijnde is en het niet-zijnde is niet:
Het zijnde is eeuwig, want ontstaan en vergaan impliceren een overgang van niet-zijn naar zijn of omgekeerd; beide overgangen zijn onbestaanbaar en ondenkbaar;
Het zijnde is niet alleen onvergankelijk, maar ook onveranderlijk, want tussen zijn en niet-zijn bestaat geen meer of minder;
Het zijnde is een en ondeelbaar, want naast of buiten het zijnde is niets anders denkbaar.
Het zijnde kan men alleen door te denken het zijnde objectief leren kennen; onze zintuigen geven ons slechts subjectieve informatie (de zintuiglijk waarneembare wereld behoort dus ook tot het niet-zijnde).
Zeno, (leerling van Parmenides) de paradox van Achilles en de schildpad.
3.4 Pogingen om uit het dilemma te komen: Empedocles en Democritus
In de loop van de 4e en 5e eeuw voor Chr. werden verschillende pogingen ondernomen om het door Parmenides opgeworpen dilemma te komen.
Empedocles, (480-423 v. Chr) nam vier oerstoffen (elementen) aan: aarde, water, lucht en vuur. Liefde en haat zorgen voor vermenging en scheiding van deze elementen, waardoor er een verscheidenheid van stoffen en dingen ontstaat. Ontstaan en vergaan volgen elkaar tot in eeuwigheid op.
T.o.v. Parmenides’ theorie; Gehandhaafd zijn de onvergankelijkheid en de kwalitatieve onveranderlijkheid van de elementen.
Eenheid is opgeofferd: volgens Empedocles waren er meer zijnden, de vier elementen ipv een. Ook de onbewegelijkheid is opgeofferd.
Democritus, (460-370 v. Chr, Abdera, leerling van Leucippus); kern en de oorsprong van alle dingen waren atomen. Zij verschillen niet kwalitatief van elkaar, maar alleen in grootte, vorm en positie. Door botsing en klontering ontstond de kosmos. De verschillen in de waarneembare stoffen zijn het gevolg van de aard van de combinatie van atomen.
T.o.v. Parmenides’ theorie; de onvergankelijkheid, eenheid en onveranderlijkheid van het zijnde behouden.
Onbeweeglijkheid en ondeelbaarheid opgegeven.
3.5 Is kennis wel mogelijk? De sofisten en Socrates
Tegelijkertijd met de vorige paragraaf was (vooral in Athene) een nieuwe manier van denken ontstaan waar niet de buitenwereld, maar de mens zelf centraal stond.
De sofisten hielden zich bezig met kentheoretische en ethische vraagstukken. Welsprekendheid was belangrijk. Een bekende sofist, Protagoras betoogde dat objectieve kennis onmogelijk is. De waarheid is iets subjectiefs: het gaat er in het maatschappelijk leven niet om DE waarheid te vinden, maar anderen van JOUW waarheid te overtuigen.
Socrates (469 -399 v. Chr, Athene); het was mogelijk kennis te verwerven die algemeen geldig is. Waarheid is een objectief gegeven en de taak van de mens is het die objectieve waarheid te achterhalen. Niet de mens is de maat van alle dingen, niet de mens bepaalt wat dapper is of rechtvaardig, maar er zijn algemeen geldende definities van dapperheid en rechtvaardigheid.
§4. De grote synthese: Plato’s Ideeënleer
Plato (427-347 v. Chr), slaagde erin alle lijnen uit de voorafgaande filosofie bij elkaar te brengen met zijn ideeënleer:
Parmenides: ideeën onveranderlijk en onvergankelijk (overeenkomst met het zijnde).
Heraclitus: de dagelijkse waarneembare werkelijkheid gezien als een afgeleide werkelijkheid van de ideeën.
Socrates: algemene definities, die op alle individuele gevalle toepasbaar zijn.
Pythagoras; dualisme, tweedeling tussen lichaam en geest. Ook grote waardering voor de wiskunde.
Plato kent aan het denken meer waarde toe dan aan de zintuiglijke waarneming.
Plato ontwikkelde een alomvattende theorie, die niet alleen de ontologie, maar ook de ethiek en de politiek omvatte. Alles wat Plato schreef (op een stuk na) was in filosofische dialoogvorm.
§5. Terug op aarde: Aristoteles (384-322 v. Chr.)
Voor Aristoteles bevindt zich de ware werkelijkheid zich op aarde, om ons heen, juist in de individuele dingen. De algemene begrippen bevinden zich in onze geest, waar ze gevormd zijn door waarneming. Ze leiden dus geen zelfstandig bestaan; ze zijn niet transcendent (bovenaards) (zoals volgens Plato), maar aanwezig in de individuele dingen, dus immanent (wezenlijk).
Verandering is niets anders dan de realisering van een mogelijkheid, een overgang van ‘potentieel zijn’ naar ‘actueel zijn’ (bijv. eikel eikenboom).
Hoofdstuk 2: Normen en waarden
§2. Ethiek
Seneca (5 v. Chr. - 65); door een juiste instelling was men onaantastbaar voor de slagen van het lot en verzekerd van eeuwig geluk. Hij was een aanhanger van de Stoa (was rond 300 v. Chr. ontstaan). Ethica was het belangrijkste onderdeel van de filosofie geworden; gaat om de vraag hoe wij ons als mens moeten gedragen om een gelukkig en moreel verantwoord leven te leiden.
Volgens de stoïcijnen is het levensgeluk uitsluitend afhankelijk van de eigen innerlijke kracht, van de eigen wijsheid, en onafhankelijk van alles wat daarbuiten valt, inclusief familie en vrienden en leven (verhaal van Stilbo).
Grieks normenbesef: plicht tot solidariteit met de groep
Romeins normenbesef: ‘virtus’ de volhardende moed waarmee je je inzet voor de staat
§3. Homerus en het aristocratische heldenideaal
Homerus (800 v. Chr), eerste dichter van Griekenland en Europa. Het hoogste wat een mens volgens hem kan bereiken, is een held zijn. Een held steekt boven andere mensen uit, niet in bezit of wijsheid, maar in krijgshaftigheid, hij is de sterkste van allen.
§4. De Atheense tragedie en de tragische held
In Griekse tragedies (5e E v. Chr) ging het om grote menselijke vraagstukken of om fundamentele keuzes die mensen moeten maken. De tragische ‘held’ is iemand die ten val komt omdat hij een verkeerde keuze maakt, een soort tragische vergissing.
Overmoed (hybris); de menselijke maat overschrijden, verblindt door voorspoed of macht en daarmee de afgunst en de woede van de goden opwekken (verhaal van Creon).
§5. Over de aard van normen en waarden: de sofisten en Socrates
Gelijktijdig met de bloeiperiode van de Griekse tragedie viel het optreden van de sofisten en Socrates (eerste filosofen die ethiek centraal stelden).
De sofisten; ontkennen het bestaan van objectieve, zekere kennis relativisme. Wetten en normen bestonden volgens hen niet van nature, maar waren ‘slechts’ het resultaat van menselijke afspraak en gewoonte. Het enige recht dat van nature bestaat was het recht van de sterkste.
Socrates; verzette zich tegen deze opvatting. Hij zocht wel naar zekere kennis en objectieve waarheid, in het bijzonder naar algemeen geldende definities van ethische begrippen als dapperheid. En men wie deze kennis bezit, zal goed handelen (het socratisch determinisme); wie het goede ziet, zal het goede doen. Niemand handelt volgens mij uit vrije wil en bewust slecht, want daarmee beschadigt men zijn eigen ziel en met de nadelen daarvan zal men uiteindelijk te maken krijgen.
§6. Plato en de idee van het goede
Plato (427-347 v. Chr) was een groot aanhanger van het socratisch determinisme. Zijn ideeënleer heeft een duidelijke ethische component. Wie het idee van het goede aanschouwd heeft zal altijd de juiste keuze maken. Hij beschikt over een absolute norm, waaraan hij ieder individueel geval kan afmeten. Zuiverheid van geweten boven alles.
Plato’s leer van de deugden, de ziel had drie lagen;
het verstand de deugd inzicht
het temperament de deugd dapperheid
begeerten de deugd zelfbeheersing
De vierde deugd is de hoogste; rechtvaardigheid. Zij zorgt voor een juiste verhouding tussen de overige drie.
§7. Aristoteles en het gulden midden
Aristoteles (384-322 v. Chr), Plato’s beroemdste leerling; ‘het goede in ieder vakgebied en bij iedere handeling is dat waarnaar alles streeft’ (dus bijv. bij geneeskunde gezondheid, economie rijkdom). Een goed is er dat door alle mensen omwille van zichzelf begeerd wordt: het geluk, een doel op zichzelf. Voor Aristoteles komt geluk overeen met morele deugden. Elk van deze deugden vormt het midden tussen twee uitersten (bijv. dapperheid vormt het midden tussen lafheid en overmoed).
§8. Op zoek naar nieuwe zekerheden: Epicureeёrs en Stoïcijnen
Alexander de Grote (336-323 v. Chr.); na zijn dood viel zijn rijk uiteen in vier grote rijken. Invloed in de filosofie velen zochten naar een nieuw houvast.
Het Epicurisme
Epicurus stichtte in 306 v. Chr. een filosofische school in Athene met als doel de mens de weg te wijzen naar een gelukkig leven. Geluk is volgens hem een toestand van onverstoorbare tevredenheid, waarin verdriet, angst en andere onlustgevoelens afwezig zijn. Het was de taak van de filosofie de mens van deze angsten te bevrijden. Volgens zijn wereldbeeld was alles, ook de mens en zijn ziel, opgebouwd uit ondeelbare deeltjes (atomen, Democritus). Bij de dood valt niet alleen het lichaam, maar ook de ziel in atomen uiteen geen hiernamaals. Ook de goden bestaan uit atomen en leiden hun eigen ongestoorde bestaan, bemoeien zich niet met de mens; alles wat op aarde gebeurt, is een kwestie van toeval. Tegen de slagen van toeval kan men zich wapenen door gemoedrust te ontwikkelen.
De Stoa
Ook de Stoa had als doel de mens gelukkig te maken. De orde in het heelal, de regelmatige wisseling van de seizoenen, leven en dood bewijst volgens hen het bestaan van een goddelijke macht die alles volgens een redelijk plan bestuurt. De mens moet in overeenstemming met deze rationeel geordende natuur leven. Wie daarin slaagt, zal alles wat hem overkomt als door de ‘Rede’ bepaald en dus als onvermijdelijk en goed aanvaarden: hij is wijs (enige en hoogste goed, ware deugd). De rest is irrelevant voor het geluk. Wie dit beseft is vrij van emoties (zowel verdriet, maar ook blijdschap) een toestand van apatheia.
§9. De Romeinen en de Griekse filosofie
De Romeinse filosofie is een vertaling van Griekse theorieën en beschouwingen voor een Romeins publiek. De filosofie doet zijn intrede in Rome in de 2eE v. Chr.
De belangstelling van de Romeinen ging vooral uit naar die onderdelen van de filosofie die van nut konden zijn voor de praktijk van het leven (vooral ethiek werd populair, vooral de stoïsche ethiek paste goed bij de traditionele Romeinse deugden).
Cicero (106-43 v. Chr.) staatsman en redenaar, speelde belangrijke rol in het doorgeven van de Griekse filosofie aan de Romeinen (maakte deze toegankelijk door vertaling). Hij was een eclecticus; iemand die zich niet tot een bepaalde filosofische richting beperkt, maar overal datgene uitkiest wat hem het meest aanspreekt.
Lucretius, tijdgenoot van Cicero, aanhanger van de filosofie van Epicurius. Zijn doel is zuiver en praktisch gericht; hij wil de mensen bevrijden van angst voor de dood en de goden.
Seneca (5 v. Chr. – 65 na Chr), opvoeder en adviseur van keizer Nero, was een aanhanger van de stoa. Aanvaarde zijn gedwongen zelfmoord onverschrokken, als een echte stoïcijn.
Marcus Aurelius (121-180), keizer en geschoold stoïcijn. Betoogde dat alleen de deugd en wat daaruit voortvloeit van waarde is en aanvaarding van de dood.
Hoofdstuk 3: Mensen en goden
§1. Overal goden
3.1.1 De Griekse godsdienst
De Griekse goden waren overal aanwezig. De goden speelden een beslissende rol in het leven van de mens. Op cruciale momenten grepen zij in, ten goede of ten kwade. De Griekse godsdienst was polytheïsch; er was een ontelbaar aantal goden. De Griekse goden hadden een menselijke gedaante; ze waren antropomorf. Ook in hun gedrag leken ze op mensen (alleen machtiger en onsterfelijk).
Homerus en Hesiodus (8e E v Chr.) brachten systematiek aan in de chaotische godenwereld; het beeld van de familie van de twaalf Olympische goden werd gevormd: oppergod Zeus, vader van goden en mensen.
3.1.2 De Romeinse godsdienst
Ook de Romeinen zagen in alles de werking van goden (houding was zakelijk en formeel; de juist offers en de juiste gebeden recht op tegen prestatie van de goden). Ze werden niet antropomorf voorgesteld, maar gezien als onpersoonlijke krachten. Voor alles wat in het leven van belang was, bestonden zulke goddelijke machten. Later gingen de Romeinen hun eigen goddelijke machten met overeenkomstige Griekse goden gelijkstellen en namen daarmee ook het antropomorfe karakter en de gehele mythologie van de Griekse godsdienst over.
3.1.3 Nieuwe godsdiensten uit het oosten
Nieuwe religies werden door slaven en soldaten mee naar Rome gebracht (bijv. Isis en Osiris uit Egypte, Mithrasdienst uit Perziё).
In de eerste eeuw kwam het christendom naar Rome; verlossing en vooruitzicht op een eeuwig leven speelden een belangrijke rol ( vond veel aanhang bij arme mensen en slaven, deze weigerden deel te nemen aan de Romeinse staatsgodsdienst) als staatsgevaarlijk beschouwd. Kort na 300 bekeerde keizer Constatijn zich tot het christendom. In 378 werd het de staatsgodsdienst.
§2. De goden ter discussie: het filosofisch denken over godsdienst
3.2.1 Ter introductie: het belang van het onderwerp
De belangrijkste vraag voor Cicero is niet of de goden bestaan –atheïsme kwam in de Oudheid bijna nauwelijks voor-, maar in hoeverre de goden zich met de mensen bemoeien. Deze vraag heeft ook belangrijke morele consequenties.
3.2.2 De Griekse natuurfilosofen
Thales van Milete: schreef het ontstaan van de kosmos niet meer toe aan goddelijke machten, maar zag het als een natuurkundig proces, als een reeks transformaties vanuit een oerstof, het water ( scheiding mythologisch- en filosofisch denken).
3.2.3 De sofisten en Socrates
De sofisten twijfelden over het bestaan van goden.
Socrates verwierp het bestaan van de traditionele niet, maar in zijn persoonlijk leven liet hij zich vaak leiden door zijn ‘daimonion’, een soort inwendige stem.
3.2.4 Plato
Het ware goddelijke en de norm voor goed en kwaad zag Plato in de transcedente wereld van de ideeën, en uiteindelijk in het idee van het goede. Hij had het ook over een goddelijke ‘Handwerksman’ die het universum vormde.
3.2.5 Aristoteles
Voor Aristoteles was alle beweging en verandering in de kosmos een overgang van potentieel zijn naar actueel zijn, van mogelijkheid naar werkelijkheid. Om de beweging tot stand te brengen, was een beweger nodig.
3.3.6 Het Hellenisme: Epicureeёrs en stoïcijnen
Epicureeёrs
Epicurus zag in de angst voor de goden en de dood de grootste belemmering voor de gemoedsrust. Hij vond ook dat deze angst onterecht is. De goden leiden een gelukzalig bestaan, in volkomen gemoedsrust en daarom bemoeien zij zich niet met de mensen.
Stoïcijnen
Volgens de stoïcijnen wordt alles in de osmos door een godheid bestuurd op volkomen doelmatige en onontkoombare wijze. Het pantheïsme; het goddelijke is in alles aanwezig, ‘immanent’.
§3. Overal goden?
Atheïsme; kwam zelden voor. Een bekende was Diagoras.
§4. De Griekse en Romeinse goden: functies, attributen, en stamboom
Zie schema blz. 139 en 140.
Hoofdstuk 4: Leven en dood
§1. Voor de rechters van de onderwereld: het slot van Plato’s Gorgias
Volgens Socrates is de dood niets anders dan de scheiding van lichaam en ziel. De sporen van het gedrag zijn in de ziel waarneembaar. Een slechte ziel werd door de rechters naar Tartarus gezonden.
§2. De mythologie: misdaad en straf
De Grieksen geloofden in vergelding na de dood overledenen naar onderwereld verstoken van menselijke functies / enkele helden leiden op de Elysche velden een bestaan van eeuwige gelukzaligheid / grote zondare naar Tartaros vreselijke straffen (Tantalus water en druiven / Sisyphus rotsblok).
Plato sluit met zijn ideeën over een vergelding na de dood nauw aan bij het traditionele geloof van de Grieken. Van een algemeen dodenoordeel is alleen bij Homerus nog geen sprake. Ook de visie dat de dood een scheiding is van lichaam en ziel vinden we bij Homerus nog niet. Een schim is hier niet hetzelfde als een ziel, maar eerder een soort afbeelding van de persoon.
§3. De filosofie: lichaam en ziel
Ook andere gedachten over voortbestaan na de dood in het Orfisme (religieuze beweging) geloof in reïncarnatie belangrijk. Doel: van verdere reïncarnatie loskomen en voor eeuwig leven in het hiernamaals.
Phytagoras liet zich door Orfisme beïnvloeden; zag geboren worden in het lichaam (kerker) als straf; tijdens het leven de ziel zoveel mogelijk vrijmaken van lichaam bepalend voor volgende incarnatie. Uiteindelijke doel ontkomen aan incarnaties.
Beoogde zuivering nagestreefd d.m.v. rituelen en bepaalde leefregels (bijv. vegetarisme).
Terug te vinden bij Plato; lichaam als belemmering voor vrije ontplooiing van de geest lichaam verwaarlozen en op de geest richten.
Andere theorie (Democritus en Epicurius); ziel bestaat uit atomen en valt bij dood uiteen einde waarneming en einde bewustzijn.
Hoofdstuk 5: Burger en staat
§1. Athene: de leerschool van de democratie
Rechten en plichten evenwichtig tussen individu en maatschappij verdeeld Athener calculerende burger.
Wij leven in een vrijwel indirecte democratie, terwijl Atheense democratie volledig direct was alle belangrijke besluiten in volksvergadering genomen (alle mannelijk Atheense burgers).
Ook nadelen Atheense democratie;
vrouwen geen politieke invloed
veel slaven zonder rechten
veel vreemdelingen zonder Atheens burgerrecht
§2. Monarchie, oligarchie of democratie: wat is de beste staatsvorm?
Spartaanse steden vaak oligarchen (kleine groep machthebbers).
§3. De gemengde constitutie
Elke staatsvorm heeft risico’s:
Monarchie wrede dictatuur;
Democratie willekeur van bandeloze volksvergadering
Oligarchie partijvorming en onderlinge strijd
Ideale oplossing volgens Cicero is mengconstitutie gelijkmatige verhouding uit de 3 primaire is samengesteld ieder zijn eigen plaats en geen reden tot omwentelingen
In Rome ook mengconstitutie met vooral aristocratisch element: meeste macht bij senaat; volksvergadering en consuls (hoogste magistraten).
§4. De ideale staat
Ook filosofen hebben zich beziggehouden met ideale verhouding tussen burger en staat: sociale filosofie.
Utopie: gangbare aanduiding voor ideale toekomstige samenleving
Plato; filosofen aan de macht (communisme-achtig)
Plato’s ideale maatschappij: ieder mens overeenkomstig zijn vermogens een optimale bijdrage kan leveren aan het functioneren van de maatschappij.
Er waren 3 standen die corresponderen met 3 lagen van de ziel (begeerte, temperament, verstand);
Boeren en handelswerklieden; kunnen een normaal gezinsleven leiden en over privébezit beschikken hebben geen rechten
‘wachters’ (ambtenaren) en soldaten; wijden zich geheel aan de staat
Wijzen die het bestuur uitoefenden; wijden zich geheel aan de staat kinderen na geboorte bij ouders weggehaald en door staat opgevoed leiders zorgen ervoor dat de beste mannen en vrouwen samen kinderen voortbrengen.
Vrouwen in bovenste lagen gelijke rechten als mannen.
Na lang selectieproces kan elke wachter doordringen tot de top en bestuurder worden, alleen aller-besten worden ingewijd in filosofie en idee van het goede aanschouwen bestuur.
Macht bestuurders absoluut, op grond van het idee van het goede altijd juiste beslissingen nemen geen controle en wetten
Totalitair karakter: individu staat volledig in dienst van het geheel, ook kunst onder strenge censuur.
Aristoteles: de mens is een sociaal wezen
Aristoteles ging meer uit van de realiteit verzamelde constituties en vergeleek ze.
Mens ‘zoon politokon’, sociaal wezen kan alleen als lid van een gemeenschap tot ontwikkeling komen individu niet ondergeschikt aan de gemeenschap, staat is er om individu tot ontwikkeling te brengen.
Ook verschillende standen; handwerkslieden, boeren, slaven geen burgerrecht.
Privébezit gehandhaafd en gezin als sociale eenheid
Staat kan wel ingrijpen in leven van burgers
Ook bij Aristoteles is de opvoeding een staatsaangelegenheid
§5. Afstand en betrokkenheid
In Hellenistische tijd afgelopen met polis en einde aan vanzelfsprekende betrokkenheid van burgers bij staatsbestuur.
In Romeinse Rijk trouw aan staat en staatsgoden een eis voor iedereen.
Epicurus: zoveel mogelijk afzijdig houden van politiek bedreiging gemoedsrust.
Stoa:
Mens natuurlijke neiging zorg te dragen voor eigen directe omgeving, kinderen, maar ook eigen stad ‘Oikeiosis’ verwantschap met de gehele schepping.
Wanneer de noodzaak zich voordoet, zal de stoïcijn zijn verantwoordelijkheid nemen in het bestuur.
Christenen in het Romeinse rijk
Hoogste wat een Romein kon bereiken was staat te dienen en daarmee roem en onsterfelijkheid behalen.
Christenen keerden zich van de staat af (koninkrijk niet van deze wereld) weigerden deel te nemen aan staatsreligie (keizerverering) vervolgingen.
De aanhang groeide hechte hiërarchische organisatie in 378 door Constatijn de Grote christendom staatsgodsdienst kerk en staat bondgenoten (niet gemakkelijk) andere doelstellingen, volgens kerk.
Augustinus (354 – 430) twee staten: aardse staat bed geweld en heerszucht en hemelse staat met nederigheid en vrede.
Paragraaf 1 De Griekse beeldhouwkunst: streven naar perfectie
1.1
Pygmalion maakte beeld, werd er verliefd op en vroeg Venus het beeld tot leven te brengen; zij deed dit en Pygmalion en het beeld leefden nog lang en gelukkig. Beelden van de Grieken waren in hun bloeiperiode levensecht en geïdealiseerd tegelijk.
1.2 Archaïsche periode (650-490 v.Chr.)
Kouroi werden gemaakt volgens de Egyptische methode: één blok marmer, op de buitenkant omtrekken tekenen naar vaste proporties en verhoudingen. Het beeld kreeg zo een blokachtig en schematisch karakter. De beelden ijken ook allemaal op elkaar. Later veel symmetrie, het beeld moest op een mens lijken en schoonheid bezitten. Kouros kijkt recht vooruit, een been is naar voren gestoken. Vaak is er de archaïsche glimlach. Het gewicht rust op beide benen en de vuisten zijn gebald. De man staat rechtop en heeft kraalharen. Naarmate de tijd verstreek werden de beelden steeds ronder en dus natuurlijker. Het beeld kon een god voorstellen of een gedenkteken op het graf van een overledene.
1.3 Klassieke periode (490-323 v.Chr.)
Kenmerken kouroi:
-kortgeknipte haren -natuurlijker pose
-gewicht op één been -meer expressie
-contraposto
De kouroi werden vaak van brons gemaakt, want sterker, volgens de cire perdu techniek:
Kleilaag-was-kleilaag bakken, was stroomt weg door gaatje, vloeibare brons erin
gieten, buitenste kleilaag weghakken, en voilá je beeld.
Tot de vierde eeuw v. Chr. werden vrouwen gekleed afgebeeld, daarna sommige godinnen
ook naakt. Hoewel de kleuren vaak zijn vergaan, waren de beelden vaak wél beschilderd.
1.4 Hellenistische periode (323-27 v. Chr.)
Van een natuurlijk doch geïdealiseerd beeld dat perfect was en in beweging, gingen de beeldhouwers naar een realistisch, natuurgetrouwe weergave. Ze wilden bovendien het beeld veel meer expressie meegeven, hun emoties uitbikken.
Door niet meer geïdealiseerd te beeldhouwen hoefden ze niet altijd meer jonge mannen en vrouwen af te beelden. Kinderen en bejaarden werden ook afgebeeld; het was immers de werkelijkheid. Lelijke, gewonde, dronken of wat ook maar voor soort mensen werden afgebeeld. Ook werden er wel eens groepen mensen gebeeldhouwd.
Paragraaf 2 De Griekse bouwkunst: in dienst van de goden
2.1 Functie van de tempel
Functie tempel: plaats voor het godenbeeld. Religieuze bijeenkomsten werden in de
openlucht gehouden. Altaar was ook daar.
2.2 Vorm en stijl
Dorische orde: vanaf 600 v. Chr. ( erg mannelijk/robuust)
Ionische orde: vanaf 570 v. Chr. ( vrouwelijker/sierlijker)
Corinthische orde: vanaf 420 v. Chr.
Soms werden elementen verschillende stijlen door elkaar gebruikt, zoals in het Parthenon.
Begrippen die je moet kennen: cella, peristylium, portalen, architraaf, fries, tympanon,
metopen, triglyphen en kapiteel.
Je kunt de tempel vanaf alle kanten bereiken. Vaak is er een voor- en een achterportaal.
Cella alleen door voorportaal bereikbaar. Ik zou zeggen, leer plaatje 3.19 en 3.20 goed.
2.3 De Acropolis: de grootheid van Athene
De tempels op de Acropolis bezaten perfecte verhoudingen, daardoor grote harmonie. Hun schoonheid werd door de eeuwen heen bewaard. Een eeuwige levensadem en een nooit oud wordende ziel liggen in de compositie van de gebouwen besloten. De tempels op de Acropolis moesten ook de grootheid van Athene uitstralen. Nikè-tempeltje heeft vier Ionische zuilen aan voor en achterkant, hierop een dakje en een vierkante cella.Propylaeën, de entree van de acropolis.
Parthenon: buitenste kant Dorische stijl met meer dan 200 meter reliëf. Dit fries is met metopen en triglyphen. Op elk van de 92 metopen is een scène afgebeeld uit de strijd van de Grieken en de Perzen. Er is een cella met voorportaal en een achterkamer met achterportaal. Aan de binnenkant van de zuilengalerij is een doorlopend fries van de Ionische orde. Op dit 160 meter lange fries is een afgebeeld. Op de west-tympana was de wedstrijd tussen Poseidon en Athene om de macht over Athene te zien. Op de oost-tympana was de geboorte van de godin Athene te zien. Erechteion, dit grillige gebouw bevatte o.a ruimtes voor de godin Athene en voor de god Poseidon. De kariatiden, zuilen in de vorm van vrouwen, zijn erg spectaculair.Alle tempels zijn gewijd aan een god die Athene welgezind was, de versieringen hadden ook met de godheid te maken.
Paragraaf 1 De Romeinse Bouwkunst: voor burger en imperium
1.1 Inleiding
De grieken waren beter in kunst en wetenschap dan de Romeinen, maar de Romeinen waren heersers van een groot rijk, dat onderhouden moest worden.
1.2 De allure van de Romeinse bouwkunst
De romeinen waren veel meer geintresseerd in practische bouwkunst. Waar de grieken beelden en tempels bouwden, maakten de Romeinen wegen en aquaducten. De gebouwen van de romeinen waren vaak ook veel groter dan de griekse gebouwen. Dit moest de grootstheid van het romeinse Rijk reflecteren.
De Romeinen waren origineel in dat zij bijvoorbeeld veel triomfbogen en gedenkzuilen bouwden; het maken van tempels ging naar aanleiding van de Grieken.
1.4 Romeinse materialen
De Romeinen waren de eersten de werkten met beton. Ze maakten dit door een kist met puin en een mengsel van kalk, vulkanisch zand en water te vullen. Beton was veel stevegir dan ander gesteente dat ze in die tijd gebruikten, en dus konden de romeinen grotere constructies ermee maken.
1.5 Romeinse vormen: bogen, gewelven en koepels
Een boog werd gemaakt door wigvormige stenen in een boogvorm te zetten, met bovenin een extra grote sluitsteen. De zwaartekracht zorgt dat de stenen klem zitten. Het probleem is dan dat door de druk de sluitstenen ook naar opzij bewegen. om dit te voorkomen moet aan de zijkant van de construtie een stut staan (meestal een dikke muur).
Bogen hoeven hierdoor niet ondersteund te worden door extra zuilen (zoals bij architraafbouw). Zo kunnen ze een bredere ruimte overspannen dan horizontaal.
Als je meer bogen achter elkaar plaatst, ontstaat er een gewelf: een tongewelf. De muren eronder moesten daarom erg dik zijn en bij voorkeur van beton. Om de druk te verdelen deden ze soms twee tongewelven kruislings over elkaar, zodat je een kruisgewelf kreeg. Beide gewelven zijn terug te vinden in het colosseum.
De bogen van de onderste drie lagen waren versierd met halfzuilen (zuilen half in de muur). De onderste laag had Dorische zuilen, de middelste Ionisch en de bovenste Korinthische. Die volgorde werd vaker gebruikt (van zwaar naar licht).Vroeger stonden er in de bogen standbeelden. En aan de bovenkant van het amfitheater stonden palen zodat daar een zeil om kon worden gespannen tegen de zon. Door de bogen krijgt het gebouw iets doorzichtigs, zodat als je er naar kijkt, je niet verplettert voelt. Het is een typisch Romeinse gebouwen, met Griekse elementen.
Basilica: voorbeeld voor christelijke kerken
In basilica kwamen soms ook kruisgewelven in voor. Het is een overdekte multifunctionele ruimte. Er werd recht gesproken en markt gehouden of er werden geldzaken geregeld.
Het Pantheon: een grandioze koepel
Een bijzondere variant van de gewelfbouw is de koepel. Het Pantheon in Rome is een van de grootste koepels ter wereld. Oorspronkelijk was het een tempel voor alle goden. Vanaf 600 wordt het als een christelijke kerk gebruikt.
Aan de voorkant zit een ‘Grieks’ tempelportaal met zuilen. Daarachter een enorme ronde ruimte, bekroond door een betonnen koepel. Door een gat bovenin de koepel komt er genoeg licht naar binnen. De binnenkant van de koepel bestaat uit cassetten.
Triomfboog en triomfzuil
Twee bekende Romeinse vormen die te maken hebben met het karakter en de ‘taak’ van het Romeinse volk zijn de triomfboog en de triomfzuil. Ze werden opgericht als herinnering aan overwinningen op vijandige buitenlandse volkeren. Als bijzondere eer mocht de veldheer met zijn leger dan een triomftocht houden. Veldheer en leger trokken in processie voort, waarin krijgsgevangenen meeliepen, bij voorkeur ook de gevangengenomen vorst. Soldaten droegen de buit en geschilderde taferelen van het veroverde land. Door de boog, gingen ze dan over het forum romanum en zo naar het Capitool, de heuvel die daarboven uitstijgt. Daar bracht de veldheer een offer aan de goden.
2. De Romeinse beeldhouwkunst
De bewondering voor de Grieken zo groot na de verovering in 168 v.C, scheepsladingen vol Griekse beelden naar Rome getransporteerd. Daar werden talloze kopieën van gemaakt, die de huizen en tuinen van de rijken sierden. De Romeinen hebben daardoor de Griekse beeldhouwkunst bewaard. Maar naast de grote Griekse invloed, zijn er ook eigen kenmerken. Vooral in de portretten en de reliëfs.
2.1 Portretten
Realisme
Grieken maakten portretten van beroemde mensen (dichters/politici/filosofen/atleten), waarbij ze werkelijkheid idealiseerden. Romeinen maakten portretten van iedereen die het kon betalen of een bepaalde functie of macht bezat. De opdrachtgevers wilden dat de portretten leken.
Dat realisme gaat terug naar de dodencultus (verzorgingen verering v.d. doden). De Etrusken bewaarden vaak de as van de doden in een sarcofaag, waarop de dode liggend werd afgebeeld. Men gebouwen gebruikte voor het lichaam standaardmallen en het hoofd vertoonde een sprekende gelijkenis van dat van de dode. Ze gebruikten daarvoor standaardmallen. Het hoofd vertoonde een sprekende gelijkenis met het hoofd van de gestorvene.
Romeinen maakten daarnaast ook nog dodenmaskers van was, die thuis bewaard werden en deelnamen aan het officiële leven. In een begrafenisprocessie droeg iemand met ongeveer hetzelfde postuur als de voorouder het masker en de kleding, zodat het leek alsof de voorouder weer tot leven was gekomen. Zo kon men zien wie ook alweer de geweldige voorouder was van de overledene.
Geïdealiseerd realisme
Geïdealiseerde portretten waren vaak van keizers en andere belangrijke personen. Ze moesten waardigheid uitstralen, maar wel herkenbaar zijn.
2.2 Reliëfs
Het realistisch afbeelden vinden we ook terugvinden in de reliëfs. Grieken beeldden meestal mythen uit. Terwijl Romeinen specifieke historische gebeurtenissen uitbeeldden. We zien Griekse vormen, die zijn aangepast aan de Romeinse smaak.
De Romeinen hebben in de Grieken p het gebied van literatuur en kunst vol bewondering hun meerderen erkend. Romeinen hebben voor een enorm groot deel de architectuur en bouwkunst v.d. Grieken overgenomen, maar toch hebben ze het een eigen karakter gegeven, in overeenstemming met hun praktische aard en taak die ze te vervullen hadden.
3. De Romeinse schilderkunst
3.2 Romeinse schilderkunst op fresco’s
Pompeii, Herculaneum, Boscoreale en Stabiae waren door lava, modder en puin bedekt. Ze werden pas in de 18e eeuw ontdekt. Een belangrijke rol speelde Joachim Winckelmann, de vulkaanlaag had de steden en mensen luchtdicht afgesloten en waren dus geconserveerd. Tijdens opgravingen, zag men ineens de Romeinse cultuur van 17 eeuwen geleden. Niet alleen gebouwen, maar ook mensen en dieren.
De huizen van de rijken waren versierd met fresco’s (wandschilderingen die rechtstreeks op natte kalk werd aangebracht). De kamers hadden geen ramen, daarvoor was het veel te warm. De grote muurvlakken boden plaats voor fantastische, kleurrijke fresco’s. Vaak werden daar in een architectonische omlijsting doorkijkjes geschilderd, die de illusie gaven van ruimte en diepte. Het was typisch Romeins om illusies van marmeren zuilen, openstaande vensters te schilderen, waardoor een landschap of tuin zichtbaar was.
In grote vlakken kwamen ook wel mythologische voorstellingen voor, al dan niet naar Grieks voorbeeld. Andere muurschilderingen zijn guirlandes en grottesken (sierlijke, ragfijn geschilderde zuiltjes, bloemmotieven, maskers en dieren- en mensenfiguurtjes, die speels met elkaar verbonden werden). Ze werden grottesken genoemd omdat ze in 1500 in onderaardse ruimtes in het Italiaans “grotte” werden gevonden.